Achtergrondinformatie bij het Trésor

Onderstaande tekst is overgenomen uit het boek Waterschrijvers van Joop van der Tuin (2020).

Nederland als waterland

In de loop der eeuwen is ons land door velen beschreven, op verschillende manieren, in zijn geheel of in onderdelen, vanuit verschillende disciplines, enzovoort. Wat het laatste betreft, de geografie zelf kent ook een verdeling in verschillende deelgebieden. De algemene -, fysische - en historische geografie komen gezamenlijk aan de orde in één  paragraaf  (Algemene en historische geografie) en meer regionaal in een aparte paragraaf (regionaal), terwijl de hydrografie behandeld wordt in de paragrafen over de zee en over  de rivieren. De economische - en sociale geografie vallen enigszins buiten het kader van dit boek. Toch willen we hier van beide vakrichtingen enkele namen noemen. Als grondleggers van de economische geografie in ons land worden beschouwd de geografen H. Blink (1852-1931) en zijn opvolger als hoogleraar, W.E. Boerman (1888-1965). Niet minder verdienstelijk waren de historicus C. te Lintum (1863-1930) en de econoom en bankier C.J.K. van Aalst (1866-1939). Van de sociaal-geografen noemen we H.N. ter Veen (1883-1949), E. van Hinte (1894-1945), S. Groenman (1913-2000), H.A. Schönhage (1914-1989) en M.W. Heslinga (1922-2009).

Algemene en historische geografie

Onder de veelbelovende titel Waterbeschrijving der Vereenigde Nederlanden verscheen in 1771 van de hand van de onderwijzer D.H. Dautun (18e eeuw) een opsomming van de toenmalige wateren in ons land, geïllustreerd met slechts een kaartje van het Benedenrivierengebied. Wat dit betreft heeft de onderwijzer en lexicograaf A.J. van der Aa (1792-1857) heel veel meer bijgedragen aan de beschrijving van de Nederlandse wateren. Eveneens van grote verdienste was de jurist, taalkundige, archivaris en historicus L.Ph.C. van den Bergh (1805-1887). Zijn in 1872 uitgegeven Handboek der Middelnederlandsche geographie werd in 1872 en 1949 herzien door A.A.Beekman en H.J.Moerman. Minder bekend is de onderwijzer P.H. Witkamp (1816-1892) die ook zeer veel over de geografie en geschiedenis van ons land heeft geschreven. Eerder genoemde A.A. Beekman  (1854-1947) mag, met S.J.Fockema Andreae en J.C.Ramaer, tot onze grootste waterschrijvers worden gerekend. Reeds als dertigjarige heeft hij met Nederland als polderland in belangrijke mate bijgedragen aan het huidige inzicht in de waterstaatkundige ontwikkeling van ons land. Zijn leeftijdgenoot R. Schuiling (1854-1936) wordt, met hem en H.Blink, beschouwd als vernieuwer van het toenmalig onderwijs in de aardrijkskunde. De Groningse leraar P.R. Bos (1847-1902) was de auteur van vele boeken, atlassen en kaarten waaronder de Schoolatlas der gehele aarde, nog steeds bekend als de Bosatlas. De historicus H. Hettema (1868-1962) kreeg bekendheid door de Grote Historische Schoolatlas, maar schreef ook het intrigerende De Nederlandsche wateren en plaatsen in den Romeinschen tijd. Een populaire beschrijving van ons land met fraaie foto's vindt u in het boek Het kleine land en zijn groote schoonheid van de bekende politicus Henri Polak (1868-1943). De leraar B.A. Kwast (1870-1936) redigeerde de bekende serie voor het middelbaar onderwijs Nederland in Woord en Beeld. Zijn collega C.L. van Balen (1870-1943) werkte mee aan de totstandkoming van diverse leerboeken aardrijkskunde, schoolatlassen en schoolplaten.
Grote bekendheid genieten de woordenboeken en encyclopedieën samengesteld door de onderwijzer, burgemeester, folklorist en lexicograaf K. ter Laan (1871-1963), waarvan we tenminste willen noemen het Aardrijkskundig woordenboek van Nederland. Het onvolprezen zesdelige standaardwerk Handboek der Geografie van Nederland is het levenswerk van de leraar G.J.A. Mulder (1879-1963). Voor het eerste deel hiervan schreef de ingenieur J.C. Scharp (1879-1950) het omvangrijke hoofdstuk Hydrografie. De meteoroloog C. Braak (1880-1973) schreef het achtdelige standaardwerk Het klimaat van Nederland.
De cultuurhistoricus Adriaan Loosjes (1883-1949) schreef en redigeerde vele artikelen over ons land en verzorgde de tekst voor de zeer fraaie negentiendelige boekenserie Nederland in beeld. De Utrechtse aardrijkskundeleraar J.H. Sebus (1896-1976) schreef diverse artikelen over historische geografie waaronder De oudste geschreven berichten over ons land.
Voor hetgeen de schrijvers Evert Zandstra  (1897-1974), Piet Bakker (1897-1960), Jef Last (1898-1972), Klaas Norel  (1899-1971) en Evert Werkman  (1915-1988) - ook op geografisch gebied - hebben geschreven, verwijzen we naar het hoofdstuk romanschrijvers. Hetzelfde geldt voor de schrijvers Herman Besselaar (1904-1994), Gerhard Werkman  (1912-1991) en J.Th. Balk (1912-1995).
Van de leraren die voor het middelbaar onderwijs in de aardrijkskunde veel geschreven hebben, moeten twee in het bijzonder worden vermeld. Het zijn W.W. Reijs (1900-1963), zeer bekend van het leerboek Nederland - zoals het was, zoals het is en U. Tuinstra  (1900-1984) die verschillende fysisch-geografische publicaties schreef en daarop ook promoveerde. Een viertal archivarissen heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de historische geografie van ons land: B. van 't Hoff (1900-1979), H. Hardenberg (1901-1976), W.J. Formsma (1903-1999) en M.E. Kluit (1903-1977).
Grote bekendheid verwierf de veelzijdige geograaf H.J. Keuning (1904-1981), die promoveerde op De Groninger veenkoloniën en onder andere ook De historisch-geografische landschappen van Nederland schreef. De wetenschapsjournalist J.M. Fuchs (1905-1998) schreef diverse publicaties over verkeer, vervoer en toerisme en verwierf ook bekendheid als schrijver van vele Shell-journaals. De geodeet en hoogleraar C. Koeman (1918-2006) beoefende de historische geografie vooral op basis van zijn kennis van de landmeetkunde en kartografie. De schrijver A.C.W. van der Vet (1919-1997) schreef over de cultuurhistorische waarden in verschillende delen van ons land. Tenslotte vier historisch-geografen die, ook als hoogleraren, veel hebben bijgedragen aan de kennis van het Nederlandse landschap. Het zijn J.P. Bakker (1906-1969), R.H.A. Cools  (1908-1987), J.I.S. Zonneveld (1918-1995) en A.J. Wiggers  (1921-1990).
De historisch-geograaf A.W.A.Th. Steegh (1946-2005) leverde een bijzondere bijdrage met zijn Kleine Monumentenatlas van Nederland

Regionale geografie

In de vorige paragraaf hebben we schrijvers genoemd die ons gehele land hebben beschreven, een groot deel ervan of meerdere provincies. Schrijvers die zich hebben beperkt tot de beschrijving van een provincie of regio, dan wel zij die studie hebben gemaakt van een bepaald gebied, komen in deze paragraaf aan de orde.

Groningen

Zo heeft de provincie Groningen de volgende schrijvers gekend: de predikant P. Zuidema (1792-1862) die een artikel over de Dollard schreef, de onderwijzer en redacteur H.J. Top (1849-1909) die het boek Geschiedenis der Groninger Veenkoloniën schreef, de huisarts S.P. Rietema (1862-1925), de onderwijzers J.S. van Weerden (1888-1971) en B.W.Blaauw (1892-1993), de landbouwer B.H. Siemens (1894-1978), de ondernemer J.J. Smedes (1900-1988) en de schoolarts J.S. Niehoff (1923-2014).

Friesland

De provincie Friesland kreeg van veel meer schrijvers de aandacht. De autodidact J.H. Knoop (1706-1769) maakte reeds in 1763 een historische beschrijving van de provincie. De predikant P. Brouwer (1749-1830) beschreef de geschiedenis van de voormalige Middelzee, de jurist Ph. van Blom (1824-1910) en de notaris S. Koopmans (1851-1890) eveneens. Verder noemen we de predikant A.F. Eilerts de Haan (1834-1899), de landbouwer K.J. van den Akker (1864-1943) en de notaris N. Ottema (1874-1955). De predikant G.A. Wumkes (1869-1954) behandelde de historische geografie van Terschelling. De onderwijzer H. Sannes (1890-1956) schreef het vierdelige standaardwerk Geschiedenis van het Bildt over de bedijkingsgeschiedenis van de monding van de Middelzee. De redacteur H. Clewits (1897-1983) schreef enkele toeristische publicaties. De onderwijzer en taalactivist C. Roggen (1900-1985) schreef over de taal en cultuur van Terschelling. De latere minister van Verkeer en Waterstaat J. Algera (1902-1966) beschreef de geschiedenis van Leeuwarden. O. Santema (1904-1979) schreef, merendeels in het Fries, talrijke artikelen over diverse plaatsen en F. Middendorp (1905-2001) schreef zeer vele artikelen over de geschiedenis van Weststellingwerf. De Commissaris der Koningin H.P.Linthorst Homan (1905-1989) schreef zijn jubileumwerk Friesland 1945-1970. De sociaal-geograaf en leraar B.K. van den Berg (1905-1984) promoveerde op Het laagveengebied van Friesland. De leraar, journalist en folklorist S.J. van der Molen (1912-1995) en de heraldicus K. Sierksma  (1918-2007) schreven veel op folkloristisch, naamkundig en historisch gebied. De leraar biologie V. de Vries (1913-2005) behandelde de historische geografie en plantengroei van Vlieland. De publicist Jo Smit (1916-1991) heeft veel geschreven over Friesland, in het bijzonder Terschelling. De zeer productieve publicist Pieter Terpstra (1919-2006) schreef diverse artikelen, romans en documentaire werken die zich afspelen in de Noord-Nederlandse kuststreek. Tenslotte noemen we R. IJbema (1921-2013), schrijver over het leven aan de Friese Waddenkust, Hans Bakker (1923-2016) over met name Ameland, en de sociograaf D.H. Franssens (1924-2000) over de landbouwkundige problemen van het eiland Terschelling.

Noord-Holland

Ook de provincie Noord-Holland werd ijverig beschreven. De jurist en burgemeester R. Paludanus (1736-1788) schreef een belangrijke bijdrage tot de historische geografie van de Kop van Noord-Holland. De jurist J.C. du Tour (1775-1829) schreef in 1819 een artikel over het Haarlemmermeer toen dit nog niet was drooggemalen. Dat was wel het geval toen in 1868 de onderwijzer P. Boekel (1832-1899) hetzelfde deed. Jan van Dam den Bouwmeester (1813-1861), onderwijzer en kostschoolhouder in Den Helder, beschreef Den Helder met het Nieuwe Diep en Huisduinen. De ambtenaar P.H. Leijer (1823-1904) schreef over de Assendelver Veenpolder. De gemeentesecretaris van Waterland, W. van Engelenburg (1860-1934), schreef verschillende artikelen en boeken over zijn gemeente. In de Zaanstreek was heel actief de volkskundige G.J. Honig (1864-1955). De archivaris J.C. Breen (1865-1927) schreef vele artikelen over Amsterdam. Zoals de ambtenaar A. Korff (1885-1963) een boek schreef over zijn geboorteplaats Den Helder, deed zijn collega A. van der Marel (1886-1969) dat over de Haarlemmermeerpolder en de gemeentesecretaris C. Keijzer (1887-1962) en de advocaat H.Jonker (1913-1979) over de Anna Paulownapolder.
Voor het verdienstelijke werk van J. Westenberg (1905-1977) en H. Schoorl  (1920-1997) verwijzen we naar hoofdstuk over het ontstaan van Nederland. Zoveel de onderwijzer, folklorist en publicist J.H. Kruizinga  (1913-1996) en de publicist M.G. Emeis jr. (1917-1983) over Amsterdam hebben geschreven, zoveel boeken daarover heeft de fotograaf Kees Scherer (1920-1993) van illustraties voorzien. De leraar J.J. Schilstra  (1915-1998) heeft zeer veel geschreven over de volkskunst, streekgeschiedenis en waterstaat van Noord-Holland. P.M. Rooker (1916-2002) schreef vooral over de waterstad Enkhuizen en omgeving. De sociaal geograaf en leraar J. van Venetiën (1925-2010) schreef over de geschiedenis van Kennemerland De waterbouwkundige W.H. van Noortwijk (1927-2013) schreef over het eiland Marken en de molenmaker Leeghwater. De sociaal geograaf G.A.Wissink (1928-2010) schreef onder meer: De Haarlemmermeer; plattelandsproblemen in de Randstad (1955). De journalist en jeugdboekenschrijver P. Huurdeman (1931-2000) schreef over de Purmer en Waterland.

Zuid-Holland

De geografie van de provincie Zuid-Holland werd het meest beschreven. De predikant J. van Oudenhoven (ca. 1600-1690) beschreef, naast enkele steden, reeds in 1659 de Alblasserwaard. De onderwijzer D. van `t Sant (1807-1887) kreeg bekendheid door zijn Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf Heerenlanden. De onderwijzer J.W. Regt (1818-1873) beschreef de Zuid-Hollandse eilanden. De tegelfabrikant F.J. Kleijn (1819-1898) ontsloot de geschiedenis van zijn geboorteplaats Delfshaven. De jurist S. Muller Hzn. (1852-1915) publiceerde over de historische geografie van Rotterdam en omgeving. C.A. Verheij (1855-1943) en de notaris L.A. Langeveld (1857-1934) beschreven onder meer de Alblasserwaard. De Rotterdamse architect J. Verheul (1860-1948) maakte aquarellen en tekeningen waarmee hij zijn publicaties over Schieland illustreerde. J.L. van Dalen (1864-1936), onderwijzer - later archivaris van Dordrecht - schreef over de geschiedenis en het historisch erfgoed van zijn geboortestad. De Rotterdamse ondernemer W.A. Engelbrecht (1874-1965) schreef onder meer over het ontstaan van Hoek van Holland. De Schiedamse leraar aardrijkskunde J. Keuning (1881-1957), niet te verwarren met H.J.Keuning, publiceerde over de geschiedenis van de cartografie, atlassen, kaartenmakers en de regionale historische geografie. Baanbrekend werk in de historische geografie van de Zuid-Hollandse eilanden werd verricht door H.J.L.T. van Rheineck Leyssius  (1881-1968), archivaris bij de provincie Zuid-Holland. Veel belangstelling is er altijd geweest voor De Lekstreek, het proefschrift van de leraar aardrijkskunde en biologie T. Vink (1881-1950). Een uitbreiding hiervan tot de gehele westelijke Rijndelta werd na zijn dood bewerkt en postuum uitgegeven door A.C.W.Korevaar en F. Landmeter  (1897-1976). Deze laatste, eveneens leraar aardrijkskunde, was een toegewijd onderzoeker van het water- en polderlandschap en een productief waterschrijver. De gemeentearchivaris van Vlaardingen M.C. Sigal (1888-1969) en de autodidact A. Bijl Mzn. (1896-1974) schreven over genealogie, heraldiek, de geschiedenis van scheepvaart en visserij en de regionale geschiedenis van Vlaardingen. Gemeentelijk voorlichter J.G.J.Nieuwenhuis (1896-1978) heeft veel geschreven over de geschiedenis en cultuurhistorische aspecten van Rotterdam. Diepgaander was het werk van zijn stadgenoot archivaris H.C. Hazewinkel (1896-1968), schrijver van onder meer het driedelige standaardwerk Geschiedenis van Rotterdam. Ook de technisch hoofdambtenaar C.A.A. de Graaf (1900-1978) beschreef  diverse aspecten van zijn geboortestad Rotterdam. De kunsthistoricus Jan Schouten (1906-1987) besteedde de tweede helft van zijn leven aan het historisch erfgoed van Gouda. De geograaf W.J. Diepeveen (1920-2008) promoveerde op De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der zestiende eeuw. De molendeskundige bij uitstek H.A. Visser (1920-2008) schreef vele artikelen over de regionale geschiedenis en het cultureel erfgoed van de Alblasserwaard, in het bijzonder over Papendrecht. P. Verhagen (1923-2011) schreef over leef-, woon- en werkomstandigheden in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Weliswaar buiten de provinciegrens, maar aansluitend op het Zuid-Hollandse rivierengebied, ligt het Land van Heusden en Altena. Het is uitvoerig beschreven door de landbouwkundig ingenieur B.W. Braams (1927-2001), die in 1995 hierop promoveerde. Voor de romanschrijvers van de Alblasserwaard, C. Baardman  (1899-1976) en J.W. Ooms  (1914-1974), verwijzen we naar hoofdstuk romanschrijvers.

Zeeland

De provincie Zeeland, die grotendeels uit eilanden bestaat, werd overwegend per regio beschreven. Zo heeft J.C. de Potter (1790-1856) over Hulst en omgeving geschreven, de onderwijzer A. Hollestelle  (1832-1922) vooral over Tholen en Noord-Beveland, en de burgemeester van Zierikzee, A.J.F. Fokker (1857-1929), over het eiland Schouwen. De archivaris J. de Hullu (1864-1940) schreef over de geschiedenis van Zeeuws-Vlaanderen; zie ook het hoofdstuk waterbouw inzake zijn transcriptie van het werk van Vierlingh. De leraar en archivaris H.G. van Grol (1878-1963) beschreef de geschiedenis van de oude havens van Vlissingen. De historicus, archivaris en leraar W.S. Unger (1889-1963) verzorgde vooral bronnen-uitgaven over Zeeland en de geschiedenis van handel en scheepvaart. De autodidact P. van Beveren (1894-1970) schreef vooral over Schouwen-Duiveland en Zierikzee in het bijzonder. Een zeer bekende naam is die van de taal- en volkskundige P.J. Meertens (1899-1985) die ongeveer tweeduizend publicaties op zijn naam heeft, vooral over zijn geboorteprovincie Zeeland, en vele biografieën. De hoofdingenieur-directeur A. Wiebes (1903-1973) beschreef verschillende waterstaatsprojecten en zijn collega in de Directie Zeeland J. Zuurdeeg (1911-2004) schreef artikelen, onder meer over de Westerschelde. De onderwijzer C. Philipse (1904-1995) schreef over Oost Zuid-Beveland en over Wemeldinge in het bijzonder. De hoofdopziener van de Domeinen J.P. van den Broecke (1906-1985) schreef over de geschiedenis van de dijken en polders in Zeeland. De technisch hoofdambtenaar van de RWS, M.H. Wilderom  (1914-1990), gaf in eigen beheer Tussen afsluitdammen en deltadijken uit. In dit vierdelige levenswerk behandelt de schrijver de waterstaatkundige toestand van de gehele provincie. De politicus M.C. Verburg (1920-2009) schreef vooral over economische en planologische aspecten van Zeeland. De historisch-geograaf M.P. de Bruin  (1922-2013) heeft ook biografieën en diverse publicaties over de waterstaatsgeschiedenis geschreven. Met beide voorgaande schrijvers heeft ook de journalist G.A. de Kok (1924-1985) de provincie op de kaart gezet. De boekhandelaar C.P. Pols (1931-2015) stelde vele ansichtenboekjes en plaatsbeschrijvingen van Schouwen Duiveland samen. De fotojournalist Wim Riemens (1933-1995) tenslotte, publiceerde/illustreerde verschillende fotoboeken over Zeeland.

Oostelijk Nederland

De geografie van Oostelijk Nederland betreft voor een deel de Grote Rivieren. Hierop wordt in de paragraaf over rivieren nader ingegaan.
Een dertiental schrijvers heeft zich verdienstelijk gemaakt met de beschrijving van de provincie Overijssel. De reeds in hoofdstuk over het ontrastaan van Nederland genoemde geoloog W.C.H. Staring (1808-1877) schreef, met de ingenieur T.J. Stieltjes  (1819-1878), over de wateren van het Land van Vollenhove en Salland, alsmede het rapport De Overijsselsche wateren. Met de ingenieur J.H. Ferrand (1792-1866) schreef hij Verslag van den toestand der Berkel en ontwerp tot verbetering van die rivier. De gemeente-archivaris van Zwolle, J. Geesink (1876-1968), schreef verschillende artikelen over West-Overijssel. Zowel Noordwest-Overijssel als Drenthe werden beschreven door de predikant P.W.J. van den Berg (1880-1952). De leraar aardrijkskunde H.J. Moerman  (1882-1954) schreef zeer heldere artikelen over de oostkust van de Zuiderzee en, met A.W.Wentholt, het hoofdstuk Overijssel in het zesde deel van het Handboek der Geografie van Nederland. De leraar en schilder A.J. de Boer (1889-1971) publiceerde in tijdschriften over natuurhistorie en schreef het boek Op en om de Wieden, de schoonheid van het Overijssels merengebied. In dezelfde trant schreef de onderwijzer W.H. Dingeldein (1894-1953) het zeer bekende boek Het land van de Dinkel; de schoonheid van Noordoost Twente. De geschiedenis van de waterschappen in Noord-Oost Overijssel werd beschreven door J.L. Lutjeharms (1910-2001). Twee journalisten mogen in dit verband niet onvermeld blijven: Willy Heitling (1916-1998), die een aantal boeken schreef over onder meer de IJssel en de Twenthekanalen, en Adriaan Buter (1918-2000), schrijver van talloze artikelen over de streekcultuur en natuur van Twente en de Achterhoek en boeken over de IJssel, Regge en Dinkel. De leraar T.R. Stegeman (1916-2006) schreef over land en volk van West-Overijsel, zo ook de veelzijdige G.L. Berk (1927-2006), die zich in de geschiedenis en bouw van de punter heeft verdiept. Provinciaal voorlichter Harm Schelhaas (1928-1985) schreef, behalve over politiek en bestuur, veel over sociaal-geografische en historisch-geografische onderwerpen. De journalist F.M. Wiedijk (1930-2003) beschreef het gebied in illustrerende trant. De regionaal historicus F. Pereboom (1942-1999), verbonden aan de IJsselacademie te Kampen, schreef onder meer over de polder Mastenbroek.
De onderwijzer B.H. Schroven (1842-1920) schreef een uitvoerig artikel over de verbetering van de Berkel. De ingenieur en leraar J. van der Breggen (1872-1926) schreef over geologische en waterhuishoudkundige  zaken in de Gelderse Achterhoek. De natuurkenner en folklorist J. Gazenbeek (1894-1975) schreef enige tientallen artikelen en boeken over de natuur, cultuur en geschiedenis van de Veluwe en redigeerde het jubileumwerk Honderd jaar Provinciale Waterstaat Gelderland 1864-1964. De jurist en landheer O.W.A. baron van Verschuer (1927-2014) beschreef de geschiedenis en waterstaatszorg van de Tieler- en Bommelerwaardwaard. De geschiedenisleraar L.W. Lensen (1929-1997) schreef over de ontstaansgeschiedenis van Zutphen en omgeving.

Utrecht

Tenslotte, wat de provincie Utrecht betreft, kunnen de volgende namen worden vermeld: de burgemeester van Utrecht H.M.A.J. van Asch van Wijk (1774-1843) schreef over de Gelderse Vallei en de ingenieur J. Spaander (1885-1958) schreef onder meer De Amersfoortse wateren. De publicist J. Trouw (1889-1969) schreef over de West-Nederlandse veenplassen, de ingenieur J.D.M. Bardet (1890-1975) schreef over de cultuurhistorie van de stad Utrecht en omgeving, de scheepsbouwkundig ingenieur J. Loeff (1895-1981) schreef onder meer over de Vechtplassen en de aardrijkskundeleraar F.H. de Bruijne (1908-1969) promoveerde op een sociaal-historische studie van de Ronde Venen.

De zee

'Nederland en de Zee' is, naast 'Nederland en het Water', één van de belangrijkste thema's waarin het karakteristieke van ons land wordt verwoord. En 'onze zee', de Noordzee en de voormalige Zuiderzee, imponeert niet bepaald door haar diepte maar juist door haar vele ondiepten. Daardoor heeft het altijd grote stuurmanskunst vereist om bij passend tij over de ondiepten en door de geulen te manoeuvreren. De oudste informatie over de zee betreft dan ook kaarten uit de zestiende - en zeventiende eeuw waarop de namen van ondiepten en geulen zijn aangegeven en beschrijvingen van vaarroutes.
De zeevaarder en cartograaf L.J. Waghenaer (1534-1593) stelde, grotendeels gebaseerd op eigen waarnemingen, een zeeatlas samen, de Spieghel der Zee-vaert. De zeevaarder A. Haeyen (ca.1550-ca.1613) maakte, in opdracht van de stad Amsterdam, een nieuwe kaart van de zuidoostelijke Noordzeekust. De cartograaf, drukker en uitgever W.J. Blaeu (1571-1638), vader van de bekende cartograaf Joan Blaeu, verwierf grote bekendheid door zijn kaartboeken en atlassen waaronder Het licht der Zeevaert en De Zeespiegel. Grote bekendheid op dit gebied kreeg ook de cartograaf en uitgever Pieter Goos (1615-1675). Zijn meest bekende werk is De Zee-Atlas ofte Water-Wereld, waarin de kusten van de gehele wereld nauwkeurig zijn weergegeven.
Ruim twee eeuwen later doemen de namen op van drie marine-officieren belast met dieptemetingen en de beveiliging van 's Rijks vaarwateren: H. Nijgh (1845-1917), C.J. de Jong (1849-1925) en G.F.G. Gobius (1858-1941). De opzichter van Rijkswaterstaat A.T. van Veen (1869-1952) beschreef de geschiedenis van het Zeegat van Texel, mede in verband met de afsluiting van de Zuiderzee. De ingenieur P. van Braam van Vloten (1871-1940) schreef over de Nederlandse kustverlichting. Een andere ingenieur en marine-officier, J.W.J. van Haersolte (1877-1950) schreef een aantal boeken over de zee, waaronder Het gulden boek der zee en Onze visscherij op Noord- en Zuiderzee.
De uitgever H.C.A. van Kampen (1881-1946) was een groot kenner en beoefenaar van de zeilsport, ontwerper van zeiljachten en alom bekend schrijver daarover. De leraar zeevaartkunde E. Crone (1891-1975) publiceerde in het tijdschrift De Zee over zeevaart, roei- en zeilsport en cartografie. De autodidact A. Bijl Mzn. (1896-1974) schreef enkele boeken over de zeevaart. De maritiem historicus E.W. Petrejus (1898-1973) beschreef de geschiedenis van de scheepsbouw, modelbouw en zeilvaart. Als scheepsarts beschreef A. Melchior (1898-1962) de eerste walvisvaart van de Willem Barendsz. De marineofficier H.Th. de Booy (1898-1976) schreef een aantal boeken over het reddingswezen en jongensboeken over de zeevaart. De journalist en schrijver Age Scheffer (1900-1980) schreef biografieën van reders, redders en zeehelden. De meteoroloog en hoogleraar W. Bleeker (1904-1967) schreef het driedelige Leerboek der meteorologie. Zijn collega, oceanograaf en hoogleraar P. Groen (1912-1995) schreef onder meer het leerboekje Zeegolven en het onvolprezen boek De wateren der wereldzee. De marineofficier, oceanograaf, ingenieur en hoogleraar W. Langeraar (1915-2002) schreef onder meer Mens en Zee. De ingenieur en maritiem historicus Frans Jorissen (1919-2000) en de zeiler-schrijver Jaap Kramer (1926-2011) schreven over watersport en de geschiedenis van de pleziervaart in Nederland. Zeer bekend werd Cees van der Meulen (1921-1990), bijgenaamd 'de Zeefotograaf'. Hij illustreerde diverse boeken over de zee, de scheepvaart en het reddingswezen. Zo ook het boek Wegwijzers op het water van J.A. van Wallenburg (1921-2016). Een nazaat van Vlielander en Terschellinger zeevaarders en zelf bekend als zeezeiler en maritiem schrijver was Ton Pronker (1925-2014). Stuurman en maritiem historicus Doeke Roos (1932-2014) promoveerde in 2003 op het admiraliteitsgeslacht Evertsen. Als maritiem historicus en museumdirecteur dient ook vermeld te worden P.M. Bosscher (1936-2011). Als grondleggers van het georganiseerd wadlopen gelden de geografen Jaap Buwalda (1935-1976) en Jan Abrahamse (1937-2013). Laatstgenoemde was een zeer gedreven schrijver van artikelen over het Noord-Nederlandse landschap, de Wadden in het bijzonder. Als veelzijdig en productief maritiem schrijver moet genoemd worden Hans Vandersmissen (1950-2009). Tenslotte verwijzen we naar de romanschrijvers voor de 'zeeschrijvers' P.H.G. Verhoog (1893-1984), Anthony van Kampen (1911-1991) en Jan de Hartog (1914-2002).

De voormalige Zuiderzee

Als gevolg van de afsluiting in 1932 is het verhaal van de Zuiderzee enerzijds een klaagzang van vergane glorie, anderzijds een ontdekkingsreis naar het verleden van deze zeer bijzondere voormalige binnenzee, het tegenwoordige IJsselmeer. Verschillende schrijvers hebben zich gewaagd aan een beschrijving van het ontstaan van de Zuiderzee; we verwijzen hiervoor naar het hoofdstuk Het ontstaan van Nederland. We noemen de schrijvers over de flora en fauna in de Zuiderzee in paragraaf 5.2. Voor de plannen tot afsluiting van de Zuiderzee en de uitvoering van de Zuiderzeewerken verwijzen we naar hoofdstuk De zorg om droge voeten.
De bibliothecaris en cartograaf F.C. Wieder (1874-1943) schreef in Merkwaardigheden der oude cartographie van Noord-Holland onder meer over een kaart van de Zuiderzee uit 1559. De Harderwijker fabrikant van visproducten Eibert den Herder (1876-1950), fel tegenstander van afsluiting van de Zuiderzee, maakte schilderijen van de vergane glorie die deels gebruikt zijn als illustraties in twee door hem geschreven boeken. De folklorist en publicist D.J. van der Ven (1891-1973) heeft zich van jongs af ingezet voor het behoud van monumenten van geschiedenis en cultuur en schreef onder meer De stervende folklore der Zuiderzee. De schrijver en journalist Fred Thomas (1906-1959) was zeer begaan met de bewoners rondom de afgesloten Zuiderzee. Hij schreef er twee boeken over: Stervende binnenzee en Wijkend water; het oude land in de greep van het nieuwe. De historicus Y.N. Ypma (1907-2001) promoveerde in 1962 op: Geschiedenis van de Zuiderzeevisserij. De directeur van het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen G.R. Kruissink (1908-1989) schreef onder meer: Verzen bij de vleet: gevangen bij het vissen naar dicht en rijm op de wateren en langs de oevers van de voormalige Zuiderzee. De zeilend binnenhuisarchitect Wim Kuyper (1910-1998) beschreef de vergane glorie van de visserij en zijn zwerftochten langs de kusten en eilanden. Tenslotte noemen we de kunstschilder en museumdirecteur Karel Boonenburg (1916-1998) die over de scheepvaart en visserij op de voormalige Zuiderzee schreef: De stervende Zuiderzee, met schilderijen van Jos Lussenburg.

Ook de voormalige Zuiderzee-eilanden zijn door verschillende auteurs behandeld. De meest-productieve 'eilandschrijver' was ongetwijfeld Francis Allan  (1826-1908), die als schoolhoofd op Marken in 1853 het boekje Het eiland Marken en zijn bewoners het licht deed zien. Daarna volgden o.m. de eilanden Wieringen (1855) en Urk (1857). Ook de eerder genoemde M.J. Brusse (1873-1941) schreef een boekje over Marken onder de titel Op het eiland. Over het kleine eilandje Urk werd reeds in 1853 geschreven door de veelzijdige Pieter Harting (1813-1885). Over hetzelfde eiland verscheen in 1921 een boekje van de leraren H.J. Moerman  (1882-1954) en A.J. Reijers (1867-1943); vier jaar later verscheen van hen een soortgelijk werkje over Schokland. In 1942 kwam een boek uit over Urk, geschreven door P.J. Meertens (1899-1985) en Louise Kaiser (1891-1973). In het fraaie en nog altijd vlot verkrijgbare Erfenis van eeuwen (1941) beschreef de acteur/regisseur Cruys Voorbergh (1898-1963) onder meer de eilanden Marken, Schokland en Urk. Postuum verscheen in 1978 van de kunstschilder Johannes Krug (1898-1977), met eigen tekeningen, Het onbekende Wieringen.  Over de ontruiming in 1859 van het eiland Schokland schreef de socioloog P.J. Bouman (1902-1977) in Het verlaten eiland (1975). De arts P.J. Kostelijk (1914-1993) schreef Het eiland Marken (1955).

Stormvloeden en overstromingen aan zee

Een stormvloed is een combinatie van een door het getij voortgebracht hoogwater met een door sterke wind veroorzaakte opwaaiing van het wateroppervlak. Langs de kust en aan de benedenrivieren kunnen stormvloeden oorzaak zijn van dijkdoorbraken en, daardoor, van overstromingen; een kwestie van oorzaak en gevolg. In de oudere literatuur lezen we vooral over de gevolgen (dijkdoorbraken, overstromingen, verlies aan mensenlevens en andere schade). Pas in de negentiende eeuw werden de eerste studies verricht naar de oorzaken van stormvloeden. Sommige schrijvers verschaffen een overzicht van alle tot dusver plaatsgevonden overstromingen, anderen beschrijven in extenso de gevolgen van één overstroming, zich daarbij soms ook beperkend tot één locatie.
Van de eerste groep noemen we S.A. Gabbema (1628-1688), G. Outhof (1673-1733), T. Gutberleth (1675-1703), J. Bakker (1862-1932), P.H. Gallé (1873-1934), D.A. van Heyst (1879-1966), en M.K.E. Gottschalk  (1912-1989). De laatste, lector in de historische geografie, inventariseerde alle beschikbare bronnen en stelde het driedelige standaardwerk Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland samen.
Tot de tweede groep behoren: C. Redelijkheid (1728-1787) en J.H. Hering (1731-1790) over de overstromingen van 1775 en 1776, J. de Kanter (1762-1841) over de overstroming van 1808. De historicus H.G. Haasloop Werner (1792-1864) beschreef de stormvloeden van 1367 en 1717 aan de noordwestkust van de Veluwe. De overstromingsramp van 1825 werd beschreven door J. ter Pelkwijk (1769-1835), J.C. Beijer (1786-1866), J. van Leeuwen (1787-1857) en H. van Dalfsen (1848-1928). De eerste Sint Elisabethsvloed van 1404 werd beschreven door de bekende J.H. van Dale (1828-1872); de tweede, van 1421, door J.J. van Kerkwijk (1830-1901). De dagbladredacteur J. Buijse (1856-1946) schreef over de stormramp van 1911 in Zeeland. J.L. van Dalen (1864-1936), archivaris van Dordrecht, beschreef opnieuw de tweede Sint Elisabethsvloed van 1421. De onderwijzer A. Boot (1870-1940) beschreef de overstroming van 1906 in Zeeland.  De ingenieur C.J.A. Reigersman (1875-1950) beschreef uitvoerig de schade in Noord-Holland als gevolg van de stormvloedramp van 1916; de romanschrijver M. van der Staal (1879-1946) deed hetzelfde, maar dan ten bate van de slachtoffers en zo ook de ondernemer E. Veen Azn. (1880-1952). De directeur van Provinciale Waterstaat in Zuid-Holland G. Terluin (1908-1985) schreef over de watersnood van 1953. De jurist, dijkgraaf en waterstaatshistoricus J.P. Winsemius  (1908-1994) schreef, samen met de historicus K. de Vries (1917-1999), over de Allerheiligenvloed van 1570.
Eerst in de negentiende eeuw verschenen er publicaties over waarnemingen van waterstanden, de gemiddelde zeestand en het Amsterdams Peil. In dit verband noemen we de sterrenkundige G. Moll (1785-1838), de wiskundige F.J. Stamkart (1805-1882) en de ingenieurs J.J. Roelants (1833-1913) en H.G. van de Sande Bakhuyzen (1838-1923). De invloed van de wind op de waterstand (opwaaiing en afwaaiing) werd onderzocht door de ingenieurs J.R.T. Ortt (1817-1887) en L.C.F.E. Engelenburg (1858-1924), de meteoroloog P.M. van Riel (1878-1957) en de ingenieur J.Th. Thijsse  (1893-1984).
Publicaties over het waarnemen, analyseren en voorspellen van getijden hebben we te danken aan de oceanograaf J.P. van der Stok (1851-1934) en de ingenieurs F.L. Ortt (1866-1959) en M.H. van Beresteijn (1876-1964).
Mogelijkheden om te berekenen hoe getijden en stormvloeden zich voortplanten waren niet voorhanden in de tijd dat besloten werd te onderzoeken welke de gevolgen zouden zijn van afsluiting van de Zuiderzee. Men verwachtte uiteraard dat de hoogwaterstanden en stormvloedshoogten zeewaarts van de afsluitdam hoger zouden uitvallen dan vóór de afsluiting. Het was de hoogleraar en Nobelprijswinnaar H.A. Lorentz (1853-1928) die hiervoor een effectieve berekeningsmethode ontwikkelde (zie ook paragraaf Land uit Water). In de loop van de tijd werden deze methoden steeds verder verbeterd. De volgende namen mogen in dat verband niet onvermeld blijven: G.H. de Vries Broekman (1866-1954), C.W. Lely (1885-1932), J.P. Mazure (1899-1990), D. van Dantzig (1900-1959), J.J. Dronkers (1910-1973), P. Groen (1912-1995), W.F. Schalkwijk (1913-1989), J.C. Schönfeld Jr (1918-2005) en H.A. Lauwerier (1923-1997). De meteoroloog E. van Everdingen (1873-1955) stond aan de wieg van de stormvloedwaarschuwingsdienst; de ingenieur P.J. Wemelsfelder (1907-1995) had er de leiding over. De ingenieur J. van Veen  (1893-1959) wees op een analogie tussen getijstromen en elektrische stromen; de waterbouwkundige H.J. Stroband (1914-1985) ontwikkelde daaruit een elektrisch analogon voor een getijdennetwerk.

Rivieren en rivieroverstromingen

Bij een beschrijving van de Nederlandse rivieren kan onderscheid gemaakt worden tussen de Grote Rivieren die, met hun delta's, een groot deel uitmaken van ons lage land, en de kleine rivieren en beken die van meer regionaal belang zijn. Rivieren voorzien in de natuurlijke afwatering van een gebied en hebben, door hun wisselvallig en onvoorspelbaar gedrag, de mens in alle tijden voor de nodige problemen gesteld. Hoogwaters baren ons zorgen in verband met overstromingsgevaar; aanhoudende droogte leidt tot laagwaters die een bedreiging vormen voor de watervoorziening en de scheepvaart. De grote rivieren voeren aanzienlijke hoeveelheden sediment mee die tot ondiepten aanleiding kunnen geven. De meegevoerde verontreinigingen vormen een serieuze bedreiging voor het watermilieu.
Deze verschillende aspecten van rivieren komen ook in dit boek in alle hoofdstukken aan de orde. Zo verwijzen we voor de letterkundige kant naar hoofdstuk Romanschrijvers; voor de geomorfologische naar hoofdstuk Het ontstaan van Nederland, voor de historische naar hoofdstuk Geschiedenis, voor de natuur naar hoofdstuk Natuur en voor de technisch-wetenschappelijke aspecten naar hoofdstuk Waterbouw.

De predikant J. van Vechoven (1657-1727) was één van de eersten die uitvoerig verslag deed van rivieroverstromingen en wel in het bijzonder van de Alblasserwaard. Na hem was dat Jacob van Wijk (18e eeuw) uitgever te Gorinchem. Ook A. Stolker (1751-1835),  predikant van beroep, deed een soortgelijk verslag in verband met de rivier de Lek.
Veel meer bekendheid op het gebied van rivieronderzoek kreeg de zeer veelzijdige C.R.T. baron Krayenhoff (1758-1840). Onder zijn leiding werd een algemene kaart van ons land vervaardigd die in 1821 gereed kwam, waartoe onder meer waterpassingen langs de Grote Rivieren werden verricht. In 1823 maakte hij een ontwerp tot scheiding van Maas en Waal. De boekhandelaar, uitgever en schilder Evert Maaskamp (1769-1834) publiceerde een boek over de rivieroverstroming van 1820. Hetzelfde deed de boekhandelaar G.J.A. Beijerinck (1792-1851). De waterstaatsambtenaar H. Ewijk (1772-1859) deed in drie delen verslag van de in 1809 voorgevallen rivieroverstromingen. De landmeter D.J. Glimmerveen (1806-1875) schreef een historisch overzicht van hoogwaters, dijkdoorbraken en overstromingen door de eeuwen heen. De jurist L.A.W.J. baron Sloet van de Beele (1806-1890) beschreef, samen met de ingenieur H.F. Fijnje van Salverda (1796-1889), de overstromingen die in 1855 in Gelderland plaats vonden. De archivaris J. van Doorninck (1809-1869) schreef in 1839 over de verminderde bevaarbaarheid van de Gelderse IJssel. De oprichter en eerste directeur van het KNMI, C.H.D. Buys Ballot (1817-1890) publiceerde in 1869 over de waterstanden op de Nederlandse rivieren. De predikant J.C.W. Quack (1826-1904) schreef een gedenkboek over de rivieroverstromingen van 1861. De ingenieur E.R. van Nes van Meerkerk (1849-1926) schreef over Neder-Rijn en Lek. De jurist J.Z. Mazel (1857-1922) promoveerde op de verdediging van rivierdijken tijdens ijsgang en hoog opperwater. Voor de Staatscommissie Rotterdamse Waterweg schreef P. Schotel (1864-1939) een uitvoerig overzicht van alle tot 1868 aldaar voorgekomen hoge waterstanden. De ingenieur P.C. Huenges (1868-1940) nam het initiatief tot hoogwaterberichtgeving langs de Limburgse Maas. De burgemeester van Cuijk en Sint Agatha, J.A.M. van de Mortel (1877-1959), schreef een boekje over de overstroming van de Maas die in 1920 in zijn gemeente plaats vond. De eerder genoemde historisch-geografe M.K.E. Gottschalk (1912-1989) stelde het driedelige standaardwerk Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland samen. De cartograaf M.F Boode (1915-2006) leverde een belangrijke bijdrage in de totstandkoming van de rivierkaarten.
H. van Heiningen (1924-2018) was een groot kenner van de geschiedenis van het Gelderse rivierengebied. De sociaal geograaf en hoogleraar G.P. van de Ven (1941-2017) heeft veel bijgedragen aan de kennis van onze waterstaatsgeschiedenis, in het bijzonder die van de Grote Rivieren. De bioloog en wetenschapsjournalist J.T.J.M. Willems (1943-2015) schreef over de Rijn in relatie tot het landschap. J.C.A.M. Bervaes (1947-2014) publiceerde over landschap, toponymie en regionale archeologie, met name in de Bommelerwaard.
Over de kleine rivieren werd geschreven door onder anderen de advocaat W.C. Ackersdijk (1760-1843) met een verhandeling over de Dommel, de geograaf F.E.L. Veeren (1862-1908) die onder meer de Slinge en de Linde beschreef, en de rijksambtenaar H. Vriend (1904-1968) die over de rivier de Mark schreef.