Achtergrondinformatie bij het TrÚsor

Onderstaande tekst is overgenomen uit het boek Waterschrijvers van Joop van der Tuin (2020).

Waterbouw en waterstaat

De Nederlanders worden sinds jaar en dag geroemd om hun kennis en praktische ervaring op het gebied van de waterbouwkunde. Tot het midden van de achttiende eeuw was de uitoefening van dit vak een plaatselijke of regionale aangelegenheid; daarna kwam een centrale organisatie met ter zake kundige inspectie tot ontwikkeling. Tot omstreeks de twintigste eeuw was de waterbouwkunde overwegend op praktische ervaring gebaseerd. Daarna werd op basis van theoretische grondslagen, vooral bij de voorbereiding van grotere projecten, steeds meer gebruik gemaakt van experimenteel onderzoek en wiskundige modellen.

Prominente waterstaatkundigen

Een aantal overstromingen van de Grote Rivieren in de eerste helft van de achttiende eeuw was aanleiding voor de Staten van Holland tot het instellen van een algemene inspectie van de rivieren in Holland. Door het instellen van zo'n nieuwe functie zou het niet langer nodig zijn om per geval deskundigen aan te wijzen. Voor deze functie kwam in aanmerking de Leidse hoogleraar J. Lulofs (1711-1768) die meerdere malen belangstelling had getoond voor waterbouwkundige problemen en in 1754 werd benoemd tot Inspecteur-Generaal van de Rivieren in Holland. Men mag genoemd jaar beschouwen als het beginjaar van de openbare zorg voor de waterstaatkundige toestand van ons land. Pas na het vestigen van de eenheidsstaat in de Franse tijd in 1798 kreeg de waterstaatszorg een vaste basis op grond waarvan sindsdien van 'Rijkswaterstaat' kan worden gesproken. Na het overlijden van Lulofs werd C. Brunings (1736-1805) in 1769 als diens opvolger, maar nu betaald, in dezelfde functie benoemd. Hij kan als de grondlegger van de Rijkswaterstaat worden beschouwd. Na zijn dood werd in 1808 F.W. Conrad (1769-1808) als zijn opvolger benoemd, maar deze stierf nog in hetzelfde jaar. De functie van Inspecteur-Generaal van de Waterstaat werd vervolgens door twee personen vervuld en wel door J. Blanken  (1755-1838) en A.F. Goudriaan (1768-1829). De eerste kreeg grote bekendheid als waterbouwkundige en was ook een productief schrijver. Van de overige negentiende-eeuwse inspecteurs van de waterstaat noemen we J.H. Ferrand (1792-1866), J.A. Beijerinck (1800-1874), L.J.A. van der Kun (1801-1864), J.W. Welcker (1845-1918) en A.A. Bekaar (1845-1928).
Lag aanvankelijk de nadruk op het beheer van de Grote Rivieren en de aanleg van scheepvaartkanalen, in de twintigste eeuw werd ook zeer veel aandacht besteed aan de strijd tegen onze nationale erfvijand, de zee. Daarbij hebben de overstromingsrampen van 1916 en 1953 de aanzet gegeven tot de uitvoering van respectievelijk de Zuiderzeewerken en de Deltawerken. Van de prominente waterstaatkundigen in deze periode, in de rang van Directeur-Generaal van de Rijkswaterstaat, noemen we J.A. Ringers  (1885-1965) en L.R. Wentholt (1885-1946), de tijdelijke waarnemers C.T.C. Heyning (1888-1986) en W.H. Brinkhorst (1885-1952) en na de Tweede Wereldoorlog W.J.H. Harmsen (1886-1954), A.G. Maris (1896-1985), J. van de Kerk (1910-1996) en J. van Dixhoorn (1928-2005).

Andere prominenten

Minder bekend dan zijn zoon Pieter (ontwerper van de Nieuwe Waterweg), maar zeker niet minder verdienstelijk en samensteller van vele publikaties was Abraham Caland  (1789-1869). Een zeer ondernemend man was B.P.G. van Diggelen (1815-1868), hij was de tweede die een plan indiende voor afsluiting van de Zuiderzee. Van hetzelfde kaliber was T.J. Stieltjes  (1819-1878), die ook voor het buitenland actief was. Tot de allerbekendste Nederlandse waterbouwkundigen behoort ongetwijfeld Cornelis Lely  (1854-1929) wiens naam verbonden is aan de totstandkoming van de Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken. Ook bracht hij het tot minister van waterstaat hetgeen ook gold voor de ingenieurs J.P. Havelaar (1840-1918) en O.C.A. van Lidth de Jeude (1881-1952). Van betekenis voor de verbetering van de waterstaatkundige toestand in verschillende provincies in ons land waren J.M.W. van Elzelingen (1859-1929) en J.P. Wijtenhorst (1862-1940). Actief in binnen- en buitenland waren E. van Konijnenburg (1869-1956) en A.A. Meijers (1876-1960). Zeer verdienstelijk was ook G.J. van den Broek (1879-1935), aan wie onder meer de ontwikkeling van ons Rijkswegenplan te danken is.
Een bijzondere plaats wordt ingenomen door wat we 'militaire' waterbouwkunde zouden kunnen noemen. Van oudsher speelde het water ook in de vestingbouw een belangrijke rol, vooral in ons waterrijke land. Al sinds 1600 was er een leerstoel voor vestingbouw aan de Universiteit van Leiden en later waren er verschillende militaire scholen waaruit in 1837 de KMA in Breda en in 1842 de ingenieursopleiding aan de Koninklijke Academie in Delft zijn voortgekomen. De volgende officieren hebben hun bijdragen geleverd als waterschrijver: J.E. van Gorkum (1780-1862), I.P. Delprat (1793-1880), W.N. Rose (1801-1877), J.P. de Bordes (1817-1899), F. Ermerins (1827-1915), F.A. Hoefer (1850-1938), J.Z. Stuten (1857-1933), L.C. Prey (1881-1959), P.W. Scharroo (1883-1963), W.H. Schukking (1886-1967) en J. Albarda (1907-1997).
Van de ingenieurs die als eersten naar buiten traden als zelfstandig adviseurs noemen we J. van Hasselt (1850-1917) en J. de Koning (1855-1906), oprichters in 1881 van het tegenwoordige Royal Haskoning te Nijmegen en R. VerLoren van Themaat (1882-1982) met een zeer lange staat van dienst bij dit bedrijf. Van het in Amersfoort gevestigde DHV (1917)  noemen we A.W.C. Dwars (1874-1946), A. Groothoff (1883-1971) en B.A. Verhey (1883-1947). Vanuit Den Haag opereerden de adviesbureaus van P.H.V. Bongaerts (1879-1944) met binnenlandse opdrachten op het gebied van de waterhuishouding, en van G.P. Nijhoff (1887-1956) met vooral buitenlandse opdrachten waaronder havenprojecten. Het ingenieursbureau Witteveen+Bos werd in 1949 opgericht door G.S. Bos  (1908-2004)en W.G Witteveen (1891-1979)

Hoogleraren waterbouwkunde

Op 8 januari van het jaar 1842 nam de ingenieursopleiding aan de Koninklijke Academie in Delft een aanvang. Van 1864 tot 1905 droeg dit instituut de naam van Polytechnische School en behoorde tot het middelbaar onderwijs. Hoogleraren waterbouwkunde uit de beginjaren waren D.J. Storm Buijsing (1802-1870), N.H. Henket (1829-1904) en E. Steuerwald (1835-1884). Van hen zijn weinig publicaties bekend; veel productiever was wat dit betreft A. Huet  (1836-1899). Voorts noemen we J.M. Telders (1842-1900) en C.M. Schols (1849-1897).
Op 10 juli 1905 werd het instituut ondergebracht bij het universitair onderwijs en werd de naam gewijzigd in Technische Hogeschool. De sinds 1900 als directeur van de PS fungerende J. Kraus (1861-1951) werd de eerste rector magnificus. Van de hoogleraren waterbouwkunde in de twintigste eeuw noemen we: W.K. Behrens (1859-1937), J. Nelemans (1859-1944), G.H. de Vries Broekman (1866-1954) met specialisatie in de hydraulica en G.H. van Mourik Broekman (1875-1948) die tevens een erkend schilder was. Verder J.W. Thierry (1883-1963), S.H.A. Begemann (1884-1974; irrigatie en waterkracht), A.S. Keverling Buisman (1890-1944); grondmechanica en sonderingstechniek, J.Th. Thijsse  (1893-1984; hydraulica), W.P.J.M. Krul (1893-1982; drinkwatervoorziening), P.Ph. Jansen  (1902-1982),  G.S. Bos (1908-2004); algemene waterbouwkunde), L. van Bendegom (1911-1989; rivierwaterbouwkunde), P.A. van de Velde (1913-2001), J.F. Agema (1919-2011), E.W. Bijker (1924-2012; kustwaterbouwkunde), H. Wiggerts (1928-2010; civiele planologie), M. de Vries (1930-2008; vloeistofmechanica) en A. Glerum (1932-2011; constructieve waterbouwkunde).   

Schrijvers van hand- en leerboeken

Wie zich een goed beeld wil vormen van de klassieke waterbouwkundige praktijk, doet er verstandig aan een studie te maken van het zestiende-eeuwse Tractaet van Dijckagie, geschreven door Andries Vierlingh  (1507-1579). De auteur, waterbouwkundige en dijkgraaf te Steenbergen, heeft bij leven zijn werk niet kunnen voltooien. Dat is de grote verdienste geweest van de archivaris J. de Hullu (1864-1940) en de ingenieur A.G. Verhoeven (1886-1976) die de manuscripten hebben bewerkt en het boek in 1920 hebben doen uitgeven. In 1974 verscheen een herdruk, uitgegeven door de Nederlandse Vereniging van Kust- en Oeverwerken te Rotterdam.

Sinds het midden van de negentiende eeuw zijn een aantal leerboeken geschreven ten dienste van het onderwijs in de waterbouwkunde. Zoals gebruikelijk voor technische boeken, zijn ze goed ge´llustreerd. Ook deze leerboeken vormen een bron van historische waarde; de tekeningen tonen hoe men in het verleden te werk ging en welke materialen toegepast werden.
Zonder volledigheid te willen nastreven, willen we als samenstellers van zulke leerboeken noemen: W.C. Brade (1792-1857), Abraham Caland (1789-1869 (Handleiding tot de kennis der dijksbouw en zeeweiringkunde) en D.J. Storm Buijsing (1802-1870). Van recenter datum en meer algemeen bekend is het in 1885 verschenen handboek Waterbouwkunde van de ingenieurs/hoogleraren N.H. Henket (1829-1904), J.M. Telders (1842-1900) en C.M. Schols (1849-1897). Aan de samenstelling van leerboeken werd ook deelgenomen door de ingenieurs J.G. van Gendt (1833-1880) en C.J. van Doorn (1837-1906), onder meer bekend van hun waterbouwkundige activiteiten in Japan. Van de architect en grafisch ontwerper L. Zwiers (1871-1953) verscheen in 1905 het vijfdelige leerboek Waterbouwkunde. In 1913 verscheen het Beknopt leerboek der waterbouwkunde samengesteld door de ingenieurs/jaargenoten M.B.N. Bolderman (1874-1915) en A.W.C. Dwars (1874-1946). Het boek was vooral bedoeld voor het middelbaar technisch onderwijs, werd vele malen herdrukt en in 1968 nog geheel opnieuw bewerkt door W.H.J. van der Hooft (1896-1990), leraar aan de HTS te Vlissingen.

Niet zozeer geschreven voor het onderwijs, maar wel behorend tot de beste aanbevolen vakliteratuur voor waterbouwkundigen, zijn de volgende standaardwerken. Dijken, een boek met foto's en dwarsprofielen van vele zee- en rivierdijken, werd geschreven door T. Huitema  (1872-1974), een 'dijk' van een man! Eveneens over de klassieke waterbouw handelt het bekende boek Holland's rijshout dat door de waterbouwkundige L.G. van Breen (1876-1964) werd geschreven. Ook B.J. Kerkhof (1879-1955), directeur van verschillende bedrijven in de weg- en waterbouw, schreef een aantal leerboeken voor het technisch onderwijs. Het in 1947 verschenen magistrale werk Sluizen en andere waterbouwkundige kunstwerken in en langs kanalen werd geschreven door J.P. Josephus Jitta (1893-1991), hoofdingenieur-directeur van RWS. In 1951 verscheen in vijf delen De Technische Vraagbaak. Het deel W, met de deeltitel Weg- en Waterbouwkunde, werd geredigeerd door de ingenieurs J.E. de Vries (1898-1978), leraar aan de HTS te Haarlem, en J.Th. Thijsse  (1893-1984), hoogleraar aan de TH in Delft en directeur van het WL in Delft. Precies halverwege de twintigste eeuw debuteerde H.A.M.C. Dibbits  (1902-1988) met Nederland waterland; een historisch-technisch overzicht. Hij behoort, door zijn duidelijke en motiverende stijl, tot de beste technisch-wetenschappelijke schrijvers. Naast de Technische Vraagbaak was ook het Technisch Vademecum, samengesteld door leraren van de HTS in Haarlem, een begrip. D.G. Romijn (1903-1997) schreef het deel Bouwkunde en Weg- en Waterbouwkunde (met G.L. Ludolph: 1956). 
Ge´nspireerd door Nederland Waterland, schreef de voorlichter van de Deltadienst W. Metzelaar (1908-1994) het boek Nederland Deltaland. Zijn collega-waterbouwkundige J.C. Visser  (1909-1990) tenslotte, schreef het bekende boek Asfalt in de waterbouwkunde.